De school van de toekomst

Op uitnodiging van Van Wijnen nam op 10 maart 2021 een groep schoolbestuurders, architecten, adviseurs en beleidsmakers van gemeentes deel aan het online onderwijsevenement De school van de toekomst. Het doel van dit webinar was om met elkaar van gedachten te wisselen over knelpunten, kansen en mogelijkheden op het gebied van scholenbouw in Groningen en Drenthe.

de-school-van-de-toekomst

Vraagstukken

Victorine de Graaf, vestigingsdirecteur van Van Wijnen Groningen trapte het evenement af door een aantal vraagstukken te noemen waar Van Wijnen tegenaan aanloopt bij de bouw van scholen:

Ontwikkelingen gebruik onderwijsgebouwen

Renate Buma, adviseur onderwijshuisvesting bij Onderwijsbureau Meppel vertelde met een presentatie over de ontwikkelingen van het gebruik van onderwijsgebouwen. De presentatie was opgedeeld in drie delen onderwijskundige ontwikkelingen (1), duurzaamheidsopgave (2), financiering (3).

1. Onderwijskundige ontwikkelingen

Door de jaren heen is er een aantal ontwikkelingen geweest die invloed hebben gehad op de huisvesting van scholen. Denk aan de invoering van de Leerplichtwet (1901), de Wet op het Basisonderwijs (1985), de Wet Kinderopvang (2005), de Wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (2010) en de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (2018).

Een actuele ontwikkeling is dat kinderopvang, buitenschoolse opvang en voorschoolse educatie in elkaar gevlochten worden. Ook zijn er schoolbesturen uit het bijzonder onderwijs die zelf kinderopvang organiseren (met privaat geld). Dit heeft te maken met een visie die in het onderwijs steeds meer naar voren komt: het kind staat centraal. Daarbij is meer aandacht voor gepersonaliseerd leren en wat het individuele kind op verschillende gebieden nodig heeft (kinderopvang, school, sport, muziekles). Dat gaat de kant op van dagarrangementen. Dit betekent niet dat het allemaal in één gebouw moet plaatsvinden, maar het faciliteren gebeurt wel vanuit één punt. Voor de ontwikkeling van een onderwijsgebouw is de visie heel bepalend.

Verder is te zien dat naast het integreren van onderwijs, kinderopvang en de doorgaande leerlijn van 0-12 jaar er ook initiatieven zijn om de leerlijn door te zetten naar het voortgezet onderwijs (bijv. bij het hoogbegaafdenonderwijs). Het IKC is in opkomst, met één pedagogische lijn, één visie en één bestuurlijke organisatie. En er zijn initiatieven om zorg- en buurtfuncties met elkaar te combineren.   

2. Duurzaamheidsopgave

De VNG heeft een investeringsagenda om te werken aan een duurzamer Nederland en het kabinet-Rutte III introduceerde in 2019 het klimaatakkoord. De afspraken uit de investeringsagenda zijn nog ambitieuzer dan die uit het akkoord.

Een doel van het klimaatakkoord is om in 2050 een CO2-reductie van 95% te hebben behaald ten opzichte van 1990 en om aardgasvrij te zijn. Daarvoor is een investering nodig van 42 miljard euro. Ieder jaar wordt 1,33% van de scholen vervangen (een investering van 21 miljard euro) en dat moet naar 2,5%. Dat betekent dat nog 21 miljard euro extra nodig is. Gemeentes en schoolbesturen hebben dat geld nu niet. Los daarvan besteden deze twee partijen hun geld verschillend. Gemeentes richten zich op onder andere nieuwbouw en uitbreiding van scholen, schoolbesturen op kosten van beheer, personeel en leermiddelen. Het lijkt erop dat het tijd is om samen bij het Rijk aan te kaarten dat de normbedragen voor onderwijshuisvesting niet toereikend zijn.

Huidige scholenvoorraad:

Deze scholen hebben monumentale waarde, maar zijn niet functioneel. Per school zijn een casco-renovatie (wat veel geld kost) of een functiewijziging te overwegen.

Het kan nuttig zijn om deze scholen te vervangen, want ze zijn moeilijk energieneutraal te maken. Maar renovatie is hergebruik en dus duurzaam. Voor beide is wat te zeggen.

Deze scholen hebben meer kwaliteit ten opzichte van de oudere scholen.

Een benchmark-rapport van ICS Adviseurs laat zien dat wij ondanks het genoemde doel uit het klimaatakkoord in 2020 meer CO2 hebben uitgestoten dan in eerdere jaren. We verbruiken wel minder gas, maar gebruiken veel elektra (via installaties).

Wat is nodig om het doel van het klimaatakkoord waar te maken?

Wat is een duurzaam schoolgebouw?

3. Financiering

Naast het genoemde tekort aan financiering vanuit het Rijk (normbedragen) spelen er op financieel gebied meer dilemma’s, zoals:

De workshops op een rijtje

Er zijn twee rondes geweest met drie verschillende workshops, waarbij steeds een stelling centraal stond om over te discussiëren. De thema’s van de workshops waren andere vormen van financiering (A), duurzame ontwerpprincipes (B), installatie, ventilatie en duurzaamheid (C)

Workshop A. Andere vormen van financiering

Stelling bij A:Gezien de demografische ontwikkelingen is het verstandiger om een school te huren dan in eigendom te hebben.

De meeste aanwezigen waren het ermee oneens. Allereerst geeft huren geen garantie voor een gevuld gebouw. Daarnaast hebben scholen een eigen identiteit en visie die ze in het onderwijsgebouw tot uiting willen laten komen. Bovendien zorgt huren ervoor dat je minder flexibiliteit en stabiliteit hebt.

Huren is voor de korte termijn een oplossing, maar niet voor de lange termijn. Heb je een school in eigendom, wat dan als het aantal schoolgaande kinderen in een wijk afneemt? Dan kun je het gebouw meer maatschappelijke functies geven. Of werk met een flexibele schil, die je op en af kunt bouwen. Verder kun je scholen eventueel fuseren. Decentralisatie zorgt ervoor dat een schoolbestuur zelf keuzes kan maken bij het ontwerpproces. Een sleutelwoord hierbij is ‘vertrouwen’ (vanuit de gemeente). Een schoolbestuur moet daarvoor wel de nodige expertise in huis hebben.

Workshop B. Duurzame ontwerpprincipes

Stelling 1 bij B: Bij de bouw van een school is het verstandig om een aannemer eerder aan te laten haken om prijsdiscussie na het definitieve ontwerp te voorkomen.

Er is terughoudendheid om heel transparant met elkaar om te gaan: hoe weet je dat je elkaar kunt vertrouwen? Maar er is ook bereidheid om te kijken hoe je met elkaar op een andere manier tot een goed proces komt. Iedereen loopt tegen dezelfde problemen aan (bijvoorbeeld met betrekking tot capaciteit en financiën) en je hebt elkaar nodig. 

Stelling 2 bij B:Modulair ontwerpen gaat voor beeldkwaliteit, zodat beter om kan worden gegaan met krimp en groei.

Een van de aanwezigen suggereerde dat je niet meer in klassen moet denken, maar op een andere manier naar scholen moet kijken. Denk aan een school waarvan één deel bestaat uit kleine klaslokalen en een ander deel geschikt is voor dynamisch maatwerkonderwijs. Verder zijn budgetten voor het aardbevingsbestendig maken van scholen goed te gebruiken voor meerdere doeleinden.

Workshop C. Installatie, ventilatie en duurzaamheid

Stelling 1 bij C: Corona biedt een grote kans om versneld tot een frisse school te komen, maar brengt ook het risico met zich mee dat je terugvalt in oude onderwijsvisies.

Wat je doet op het gebied van duurzaamheid moet bijdragen aan het belangrijkste doel: goed onderwijs. Je moet nu niet haastig handelen; met de aanpassingen die je doet, moet je lange tijd vooruit kunnen. Verder brengt het verduurzamen van scholen een hoop techniek met zich mee en daarvoor moet je steeds deskundigheid in huis (in dienst) hebben. 

Stelling 2 bij C: Kundig gebruik van installaties is essentieel om tot een frisse school te komen.

Er zijn nog geen goede alternatieven voor gas en daardoor is het lastig om een gebouw gasloos te maken. Alternatieven die in de buurt komen, zijn vaak duur; over het algemeen zijn de kosten van installaties nog te hoog. Een centraal ventilatiesysteem heeft de voorkeur boven een decentraal systeem, vanwege de inregelbaarheid en de lagere onderhoudskosten.

Meer dan bouwen